Ineens bevind ik mijzelf weer handen schuddend op een kantoor en ben ik ‘de nieuwe’. Jawel, ik ben officieel weer in het bezit van een baan. Joehoe! De sollicitatie outfit kan weer achterin de kast en recruiters hoef ik god-zij-dank voorlopig niet meer te woord te staan. Ik hoor er weer bij hoor, Kantoorplebs!

Op dag één stond het welkomstcomité klaar om mij in hun armen te sluiten. In slow motion holde ik op de nieuwe collega’s af en viel ze snikkend in de armen, dankbaar voor de kans die mij was geboden. Ik vertelde wat over het briljante carrière pad dat ik tot nu toe had bewandeld, zij vertelden wat ze hier zoal bezighield tussen 9 en 5. En dat was dat. Men wees mij het bureau waarachter ik plaats diende te nemen en vervolgens was het zaak dat ik mij daar eens nuttig zou gaan maken.
Een kleine maand later is de bureaustoel aardig opgewarmd en begint mij langzaam te dagen wat hier nou eigenlijk de bedoeling is. De collega die mij zou inwerken en waarmee ik een kamer hoor te delen is ziek sinds ik hier ben gestart (ik heb nog geen gelegenheid gehad haar weg te pesten en ben dus volledig onschuldig, in dezen). Als een baas heb ik dus tijdelijk de werkkamer voor mijzelf.

Na wat kennismakingsgesprekken met collega’s van de afdeling, ben ik zelf mijn vriendenkring op kantoor wat gaan uitbreiden.
Het kantoor van de interne helpdesk kwam al snel op nummer 1 van meest bezochte plekken door mij . De eerste keer dat ik de kamer binnen stapte klaarde de helpdeskman de klus snel en vertrok ik met een glimlach. De bezoeken die volgden wiepen minder vruchten af. De helpdeskman bleef behulpzaam maar het systeem werkte niet echt mee. Na een kleine maand heb ik nog geen toegang tot alle systemen waarmee ik zou moeten werken. Ik verdenk de helpdeskman er wel van een en ander bewust te vertragen. Dit gezien het feit dat hij mij graag ziet, hiermee bedoel ik niet dat hij mij graag in de ogen kijkt. Zijn blik blijft meestal hangen ter hoogte van mijn borsten. Dit zou kunnen zijn omdat het een kleine Portugees is en mijn decolleté op zijn ooghoogte bevindt, maar daarover heb ik mijn twijfels. Evengoed, voorlopig hou ik hem te vriend, je kunt namelijk nooit genoeg IT vrienden hebben.

Dan is er nog die Amsterdamse van de 1e, bij wie ik regelmatig aan het bureau zit. Zij legt mij uit wat de bedoeling is in ‘de systemen’ waar ik zelf nog geen toegang voor heb. De eerste zin die ze in plat Amsterdams tegen me sprak was ‘het is hier echt een soepzooitje hoor’. Buiten dat zij de kaarten voor Ajax regelt, is ze ook de enige die mij kan vertellen hoe ‘de systemen’ werken. Ze staat voorlopig dan ook nog hoog in de Kantoorvrienden ranking.

De receptionist is in deze korte periode al opgeklommen tot Beste Kantoor Vriend. Mijn ochtendhumeur verdwijnt als sneeuw voor de zon als ik zijn vrolijke ‘Goedemorgen!’ krijg toegeworpen met vaak een koosnaampje er achteraan. De man die alles in de gaten houdt en van alles onderhands weet te ritselen voor je. Zonder vragen krijg je zijn tips en tricks, die je nodig hebt om te surviven binnen de muren van Kantoor.
Want in the end is het ook hier natuurlijk net een jungle die je moet zien te overleven tot je de deur weer uit kunt hollen, richting je privéleven. Maar hé, ik doe weer mee!