Vanavond rond 19.00 uur bevond ik mij in de plaatselijke super. Haar in een slordige knot, make-up loos, met een familiepak toiletpapier onder mijn arm toen ik werd aangesproken door een man. Of een man .. eigenlijk meer een goddelijk wezen dat mijn benen deed wankelen daar tegenover het schap met maandverband. ‘Of ik wist waar de ossengal zeep te vinden was’. Nadat mijn onderkaak weer richting bovenkaak ging, begon ik de schappen af te zoeken met hem. Ik vond een hoop maar geen ossengal. Ik had het liefst hier tot middernacht samen met hem in het gangpad gestaan, op zoek naar ossengal maar ik hoorde mijzelf ineens ‘ik geef het op hoor!’ roepen en spoedde mij naar de kassa met de rollen toiletpapier onder mijn arm en het mandje vol ongezonde boodschappen in de andere hand.
De opdracht tot het halen van ossengal zeep had hij vast van zijn vrouw gekregen, die de bruine strepen uit zijn boxershort wilde wassen. Of van zijn moeder, waar hij nog altijd woonde die nog alles voor haar jongen deed. ‘Terug op aarde’, sprak ik tegen mijzelf.

Het kan gewoon niet zo zijn dat zo’n bijzonder prettig exemplaar vrij rondloopt. En besluit om zijn zoektocht naar ossengal te staken en in plaats daarvan met zijn hand in de mijne richting mijn huis huppelt. Daar waar een knapperend haardvuur ons wacht, George Benson op de achtergrond zijn gitaar bespeelt en ons toe zingt, glazen wijn op tafel … vers knisperend beddengoed …

Ik weet bij het afrekenen nog net de pincode uit mijn hoofd en vertrek alleen richting huis. Daar waar de wasmachine op volle toeren draait, de afwas op het aanrecht wacht omdat ik te lui was de machine uit te ruimen. Waar het koud is omdat ik de thermostaat was vergeten aan te slingeren.
Wat een geluk zeg, dat ik vertrok voordat deze man met mij mee naar huis kwam. Ik had mij kapot geschaamd. Om nog maar te zwijgen over mijn ‘net-uit-bed-look’.
Ternauwernood ontsnapt. God zij dank, dit had wel eens volledig uit de hand kunnen lopen.