De oude kater zit op schoot en hangt wat tegen mij aan, hij bevindt zich tussen wakker willen blijven en in slaap vallen. Ik hoor hem zachtjes spinnen.
Zodra ik mij ergens tussen wakker zijn en slapen bevind ontstaan meestal de beste ideeën. Nadeel is dat ik in die staat te duf ben om de briljante ideeën die voorbij komen te noteren.

Gelukkig hoeft de oude kater niet zoveel, wat mij betreft hoeft hij er alleen maar te zijn. Al vraag ik mij wel eens af of hij er nog echt is. Ik zal het niet hardop zeggen waar hij bij is natuurlijk, maar soms ben ik bang dat hij begint te dementeren. Of dat hij stokdoof is geworden. Of allebei.
Mijn vrees is dat hij aftakelt. Met zijn zeventien (en een half) is hij echt een oude man. Een knappe, dat wel. Zijn vacht is een stuk minder zacht als vroeger, maar het is nog steeds fijn om hem te kunnen aaien.
Hij wil nog altijd graag op de bank springen, al lukt hem dat vaak pas na meerdere pogingen. Meestal moet ik hem een kontje geven om erop te kunnen komen. De laatste tijd is hij een stuk minder actief. Daarentegen, als ik richting voerbak loop, kan hij opeens weer achter mij aan hollen als een jonge hinde. Zo lang hij dat nog doet, maak ik mij niet al teveel zorgen.

Er zijn natuurlijk ook momenten dat ik hem niet zo lief vind. Zoals die keer dat hij over mijn favoriete laarzen heen pieste, of toen hij over de nieuwe bank kotste (net op dat stukje waar geen kleed lag) of als hij miauwend achter mij aanloopt terwijl hij nét z’n bakje voer leeg heeft geschrokt. Maar als ik naar dat lieve snoetje kijk, is alles weer vergeven en vergeten. Ik ga er vanuit dat hij al zijn negen levens bij mij spendeert en al hoop ik heel hard dat dit zijn eerste is.

‘Door een kat in huis te nemen, beïnvloed je je kwaliteit van leven positief’ was te lezen in een interview met een hoogleraar Antrozoölogie (.. mooie studie moet dat zijn, echt iets voor mij). ‘Een kat is een maatje, iemand die je kan vertrouwen, je hebt aanspraak, je voelt je veiliger omdat er een ander vertrouwd levend wezen in je huis is, je hebt iets om voor te zorgen en het geeft je een doel in het leven.’
Goed verhaal. Maar dat had ik ze zonder die studie gevolgd te hebben ook kunnen vertellen natuurlijk. Het was destijds een van mijn betere beslissingen de (nog jonge) kater en de lapjespoes in huis te nemen. Zo is altijd iemand thuis om tegen te praten in Huize H, altijd iemand om mee te kunnen knuffelen of soms helemaal plat te zoenen. Iemand die ervoor zorgt dat een boze of verdrietige bui weer verdwijnt door alleen maar tegen me aan te hangen op schoot. Het zachte geluid van het spinnen zorgt er vanzelf voor dat ik ontspan. Voor ik het weet bevind ik mij ook weer tussen wakker willen blijven en slapen, daar waar de briljante ideeën ontstaan.