De zon scheen heel hard vanuit de hemel. Ik hield de bloemen tot het allerlaatste moment in mijn handen. Tussen de lange rij mensen liep ik met voorzichtige stappen, dichterbij het afscheid. Mijn ogen knepen zich tot spleetjes en de stralende zon verwarmde mijn wangen. Hier bij zijn afscheid, deed ik mijn eerste zomersproeten op. En de zon droogde mijn tranen.
Tot ik voor de laatste keer bij hem stond. Bij het loslaten van de bloemen bij zijn graf, liet ik ook een stukje van hem los. En daarna was het stil.

Maar dat moment dat alles stil was, ging weer voorbij. Nieuwe dagen kwamen vanzelf en gingen weer.

Soms huil ik om hem. Omdat wij veel te vroeg afscheid van elkaar moesten nemen, of eigenlijk dat het voor ons werd genomen.
Hij dacht dat ik nog in sprookjes geloofde. Omdat ik sprak over dat we elkaar weer zouden treffen, als in ‘een hemel’, al geloof ik dan weer niet in de hemel zelf. Mijn eigen hiernamaals is te ingewikkeld om uit te leggen, al geloof ik sterk in mijn eigen theorieën daarover. Het lichaam mag hier dan wel achterblijven, maar de ziel zal verder gaan. En dan zal je er niet uitzien zoals hier op aarde, maar je wéét gewoon dat je elkaar kent, uit een ander leven. Althans, dat geloof ik. En daar ontmoeten we elkaar weer. En soms noem ik dat mijn hemel, want de hemel snapt iedereen.

Af en toe voel ik mij gevangen in het door mij gekozen leven, waar ik niet in pas. Alles lijkt zo zinloos. We doen wat we moeten en dan moeten we weer gaan. Er lijkt zo weinig te kiezen. En ik vraag mijzelf af wat ik gekozen had als ik zou hebben durven kiezen.

Hij liet zich niet vangen. Als het leven hem eens tegenzat en dat gebeurde nogal eens, haalde hij zijn schouders op en koos een nieuw pad. En ieder pad dat hij koos, daar trof hij wel iets moois. En anders maakte hij er wel iets moois van. Was ik maar meer zoals hij, denk ik.
En dan fantaseer ik over hemels waar wij elkaar zullen treffen.