Ik voel de tranen in mijn ogen opwellen, op het moment dat jij mij laat weten dat het niet heel erg goed gaat. Jouw woorden ‘niet heel erg goed’ betekenen dat het heel erg slecht met je gaat. Ik ken je.
Als ik vraag of ik langs mag komen antwoord je ‘Ja, kom maar snel’.

Het gaat niet zo goed zit als een mantra in mijn hoofd, gevolgd door het gevoel dat ik zo snel mogelijk naar je toe moet. Dat voelt als moeten want het is het moeilijkste bezoek dat ik ooit aan iemand moest brengen. Ik doe mijn haar in een hoge knot en kijk in de spiegel. Het zit niet goed. Ik doe de knot opnieuw en opnieuw en trek mijn haar steeds strakker door het elastiek, zo strak dat het pijn doet. Het zit nooit goed. Uitstellen, dat is het. En ondertussen jank ik de mascara van mijn wimpers.
Buiten is de buurman in de weer met een hoge drukreiniger en in de verte hoor ik een kind buut vrij! roepen. Ik wist niet dat dat nog bestond, buut vrij. Alles gaat gewoon door. Verdomme! Ik moet naar je toe voor het te laat is. Boos veeg ik de mascara van m’n wangen en ga de deur uit.

Ik vloek teveel denk ik, als ik in de auto zit. Al vind ik zelf dat ik een verdomd goede reden heb om te vloeken. Onderweg haat ik iedereen die te langzaam rijdt of zonder reden op z’n rem trapt. Met mijn ogen tot spleetjes geknepen en mijn kiezen op elkaar, knal ik in gedachten iedereen kapot die zorgt dat ik vertraging oploop.

Het is tien voor half 12 als ik aankom in het ziekenhuis. Ik vraag een verpleegster naar jouw kamernummer, waarop ze tegen mij zegt dat het geen bezoekuur is. De tranen wellen weer op als ik tegen haar stamel dat ik van jou mocht komen. Waarop ze mij toch de weg wijst en mij zegt dat ik maar heel even mag blijven.

Als ik jouw kamer binnenstap verschijnt er voorzichtig een glimlach om je mond. De vriend die aan je bed zat maakt plaats voor mij en ik pak je hand vast. Je kijkt me aan met je mooie bruine ogen en zegt nog eens wat je eerder al zei ‘het gaat niet zo goed’. ‘Verdomme man’, zeg ik.
Je zegt dat je voelt dat het nu wel snel zal gaan. En ik vraag je of je bang bent. Je bent niet bang, zeg je. Je vindt het alleen zo verdrietig, voor ons.
Even leg ik mijn hoofd tegen je schouder en voel ik je hart kloppen. Ik weet dat alles gezegd is. Zelfs zonder woorden weten we wel hoe we over elkaar denken, dat is altijd zo geweest.
Jij zit voor altijd in mijn hart. Ik ben je zo dankbaar voor de mooie momenten die wij samen hebben gehad. Jij hebt mij doen beseffen dat het gaat om de kleine dingen.

Als ik bij het vertrek uit jouw kamer nog even naar je omkijk geef je mij een handkus.
Buiten huil ik harder dan ooit.

En nu, nu mis ik jou.