Er zijn dagen waarop ik het nieuws mijd, zoals vandaag. Voor even mijn kop in het zand en doen alsof alles is zoals het was.

Ik zit aan de eettafel achter mijn laptop, stort me op het uitwerken van wat voorstellen voor de baas. Kijk zo nu en dan de kamer eens rond en besef dat de cyperse zussen nog vaker dutjes doen dan ik al dacht. Op een enkel hysterisch speelkwartier na. Nu begrijp ik ook hoe het er soms op kon lijken alsof het huis volledig overhoop gehaald was als ik thuiskwam. Die twee weten tijdens tikkertje spelen zowel kussens van de bank als de planten van de kast te smijten. Geruststellende gedachte dat ik niet de enige ben die er hier een zooitje van maakt. Wat een leven.

Even later zie ik hoe de poes van de bank af springt, zich uitrekt en richting de muur loopt. Terwijl ze zich vervolgens rechtop tegen de muur op nog eens uitrekt en de muur als krabpaal gebruikt. Als ik er wat van zeg haalt ze haar schouders op en wandelt op haar gemak richting brokjes. Ik ben onzichtbaar voor ze, zoveel is duidelijk. Word nog net getolereerd, vaker genegeerd. Ik schik mij in deze rol.

Als ondergeschikte zorg ik voor eten, drinken en houd de bak schoon. De laatste tijd ontvang ik wel regelmatig een cadeau, vooral op regenachtige dagen.  Dikke regenwormen al dan niet onthoofd, krioelend op de keukenvloer in de buurt van het kattenluik. Laatst vond ik er zelfs een op het kleed, in stukken, daar was blijkbaar al even mee gespeeld.

Een enkele keer nestelt een van de cyperse zussen zich tegen mij aan en mag ik haar aaien. Vaker werpen ze mij een blik toe die zoveel zegt als ‘kssst!’
Toch ben ik dankbaar dat ik getolereerd word, zo heb ik altijd iemand om mee tegen te praten.

De zon verwarmt mijn lijf achter het glas. In de dakgoot zie ik een merel zitten. Ze zal zo vast een duikvlucht richting het gras maken, op zoek naar een dikke regenworm. Als ze geluk heeft zit er nog eentje.