De lucht kleurde donker, er zat een bui aan te komen. Terwijl ik mijn pas versnelde merkte ik dat de hakken waar ik op liep niet geschikt waren voor een looppas. Die ochtend had ik nog getwijfeld tussen hakken en sneakers. Spijt komt altijd te laat. Met de naderende bui in gedachten loop ik de viaduct-route, deze snijdt een stuk af en hier loop ik tenminste droog. Als ik die hakken wegdenk is het best lekker buiten, de wind door m’n haren en even de frisse lucht opsnuiven.

Door mijn drukke werkdag waren gedachten aan hem even naar de achtergrond verdwenen. Tot dat beklemmende gevoel weer terugkomt. De angst voor ogen die altijd op mij gericht zouden zijn. ‘Verdomme!’ denk ik, als ik besef dat het een hele stomme fout was om deze route te nemen.
Als ik mijn intuïtie had gevolgd, had ik de route genomen waar het altijd druk is. Het is hier eng stil en als ik niet doorloop is het ook nog bijna donker. Ik daag mijn intuïtie wel vaker uit. Al deze links zegt, ga ik soms expres rechts. Mijn intuïtie liet mij eens in de steek op een belangrijk moment. Daar was ik later zo boos om geweest, dat ik haar nu soms negeer. Hier, lopend via de stille viaduct-route, wilde ik dat ik haar had gevolgd. Rug recht, schouders naar achteren en doorlopen! Herhaal ik in mijn hoofd. Laat zien dat je niet bang bent. Het liefst zou ik willen vóelen dat ik niet bang ben, maar angst heeft al bezit genomen van iedere vezel in mijn lichaam. 

Hij moet iets beestachtigs in zich hebben. Als een wolf ruikt hij de angst bij zijn prooi. Eerst bespiedt hij haar, hij heeft geduld. Hij volgt haar net zo lang tot hij weet dat ze geen kant meer op kan. Ze loopt vanzelf in zijn val.

Ik weet dat hij er is. Dichtbij genoeg om mijn angst te kunnen ruiken.

Hij had het steeds gezegd ‘jij zult altijd ogen in je rug moeten hebben, waar jij gaat, daar ben ik’. Ik wist dat hij de waarheid sprak. Hij zou er zijn levensmissie van maken om mijn leven te verzieken. De letterlijke woorden ‘als ik je niet kan hebben, zal niemand je ooit hebben’, had hij vaak genoeg uitgesproken.
Alsof dat überhaupt aan de orde was. Buiten het feit dat het wel even duurde om mijn leven weer op de rit te krijgen, kon ik mij niet voorstellen dat ik ooit nog een man zou durven of willen toelaten in mijn leven. Dat was wel het laatste waar ik mee bezig was op dit moment. Het was helaas wel het enige waar hij mee bezig was.

Mijn pas nog meer versnellen zou betekenen dat ik zou gaan rennen. Als ik iets nu niet wil is het dat hij mijn angst ruikt. Rug recht, schouders naar achteren en doorlopen! Herhaal ik in mijn hoofd. Ondanks dat ik hem niet zie, weet ik dat hij er is. Het kan niemand anders zijn.

Ik hoor hem zijn pas ook versnellen. Er is genoeg afstand tussen ons, ik zou hem voor kunnen blijven als ik heel hard ga rennen. ‘Verdomme! klote hakken’.. Hij begint in te lopen. Nog een kleine honderd meter, dan ben ik onder het viaduct en vlakbij die drukke weg. Hij schreeuwt mijn naam en ‘Blijf staan!’.
Ik schop mijn hakken uit en begin te rennen. Ik ren zo hard dat ik bang ben over mijn eigen benen te vallen maar ik moet harder om de drukke weg zien te bereiken voor hij mij inhaalt.
Het roofdier weet zo dichtbij te komen dat ik zijn snuivende ademhaling kan horen.
Ik voel dat ik ga verliezen. Ik kon altijd goed tegen mijn verlies maar deze race kan ik niet anders dan winnen.

Dan grijpt hij mij bij mijn jasje, trekt me zo hard naar achteren dat ik keihard op mijn rug val. Als ik op de grond lig, grijpt hij mij bij mijn keel. Ik worstel om los te komen, waardoor hij mijn keel harder dicht drukt met zijn arm. Hij sleurt mij de bosjes in, mijn keel nog altijd omklemd. Ik ros met mijn elleboog naar achteren in de hoop hem in de nieren te raken. Het maakt hem woest, hij sist ‘vies vuil teringwijf’ en omklemt mijn keel nog iets strakker met zijn arm. Hij is zo sterk ..
Dan draait hij mij op mijn rug en gaat bovenop mij zitten, zijn knieën duwen mijn armen omhoog tegen de grond. Ik worstel en probeer hem te raken met mijn knieën tot ik besef dat ik in een hulpeloze positie lig. Met een hand knijpt hij mijn keel dicht, met de andere pakt hij het mes dat in zijn achterzak zat. Zijn ogen knijpen zich tot spleetjes en er verschijnt een grijns op zijn gezicht.

Dit is het, besef ik. Terwijl ik het mes in zijn hand zie glimmen, hoop dat hij mij verstikt voor het mes mij raakt. Ik merk dat ik langzaam wegzak tot er een bijna verlammend gevoel van ontspanning ontstaat. Ik geef mij over en hoop dat het allemaal voorbij is.

Dan voel ik hoe het mes zich vol in mijn borst boort ..
Een geluidloze schreeuw ontsnapt uit mijn mond.

Hij heeft gewonnen.