De hond ligt in de berm. Al zie ik het beest niet met vier gestrekte pootjes naar de hemel wijzen, hij is overduidelijk dood. Naast de dode hond staat een dame van middelbare leeftijd met een riem in haar handen, ongetwijfeld het vrouwtje van de dode hond. Haar handen wijzen wel richting hemel. Haar mond wagenwijd open, een schreeuw of ander soort gejammer ontsnapt eruit. De jonge vrouw zit op de knieën naast de dode hond en houdt haar vingers tegen zijn hals, waarschijnlijk in de hoop een hartslag te kunnen voelen. Een jonge vent staat er wat ongemakkelijk naast, handen in zijn zakken, bezorgde blik in zijn ogen.

De kolonne auto’s waarin ik mij bevind, rijdt langzaam voorbij. Op een ochtend als deze, waarop de lentezon al vroeg aan de hemel staat, is het altijd druk op de hei. Honden lopen los, zelfs op plekken waar ze officieel aangelijnd horen te zijn.

Nu heeft er niet alleen een aanrijding plaatsgevonden en is er ook nog een dode gevallen, met flaporen. Een trieste aanblik, dit tafereel op de vroege ochtend. Ik hoop dat de hond genoten heeft, van zijn laatste rondje.

Als ik verder rij, zie ik in gedachten het vrouwtje voor me, hoe ze haar man moet bellen en vertellen over Flap die nooit meer thuis zal komen. Over dat ze denkt dat hij dood is. Hoe manlief direct zijn kruiswoord aan de kant gooit en op zijn sloffen in de auto stapt, waarmee hij met een noodgang richting hei scheurt. Alwaar hij zijn ontredderde vrouw aantreft, die met wilde uithalen probeert te vertellen hoe het allemaal zo mis kon gaan. Dat Flap alleen maar wat wilde spelen, met de riem, die niet aan de lijn vast bleek te zitten. En in gedachten zie ik hoe de man bij de hond neerknielt, terwijl zijn tranen de koude vacht bevochtigen.